Het Leed Dat Blinde Darm Infectie Heet (Deel 1)
Iedereen heeft er een. Een blinde darm. Maar nodig heb je hem blijkbaar niet.
Een week of twee geleden begon het. Buikkrampen. Ik dacht meteen aan het buikgriep virus, want ja, dat heerstte weer. Na een warm bad kon ik het toch niet nalaten om de hele nacht mijn ingewanden binnenstebuiten te kotsen. Ergens in de morgen was mijn onderbuik dusdanig geleegd dat ik alsnog een paar uur slaap kon krijgen. Om 18 uur stond Rob voor de deur en dat was dan ook de eerste keer dat ik weer in het land der levende was. Bij binnenkomst merkte hij al droog op dat ik er ‘niet zo heel soepel’ uitzag. Na een half uur was hij de deur uit en ik viel warempel weer in slaap. Tot om middernacht het noodlot toesloeg; ik werd wakker. Met pijn. Het soort pijn waarmee je alleen maar in de foetushouding wil gaan liggen en om de paar minuten een kreun of een zucht wil slaan. Maar zelfs dat deed pijn. Mijn blaas wilde richting wc, maar eenmaal daar aangekomen sputterde ie toch tegen. De eikel. Daarna ben ik letterlijk terug naar bed gekropen om verder te creperen. ‘Robbert bellen’. Dat was het eerste wat in me opkwam. Helaas nam die niet op. Logisch, want hij was met de rest van Big Shots een feestje aan het vieren ter ere van de afloop van een programma. Half 1 geweest. Toch maar 112 bellen. Na een paar minuten kreeg ik een aardige meneer aan de lijn die, tussen mijn adempauzes door, mijn klaagzang aanhoorde. ‘Geen zorgen jochie, ik verbind je door met de huisartsenpost.’ 34 minuten later hoor ik nog steeds ‘blijft u aan de lijn’ en wordt abrupt de verbinding verbroken. De pijn slaat om in agressie. Nogmaals 112. Zelfde meneer. Weer doorverbonden en ditmaal na enkele minuten een telefoonmiep aan de andere kant. Hier het gesprek:
Ik: Ik kan moeilijk ademen, niet lopen, liggen doet pijn en mijn geslachtsdeel werkt niet meer mee.
Zij: Dat is niet zo best.
Ik: [sarcastisch] Niet echt he?
Zij: Nee. Niet echt. Ik heb eerst wat gegevens van je nodig.
Trut. Hoor je niet dat ik niet kan praten. Stuur een dokter. NU.
Ik: Maar natuurlijk.
Vervolgens een gesprek van een paar minuten. De telefoonmiep besluit met:
Zij: Het lijkt me toch beter als je even langskomt.
Ik kon het niet laten om een lachje te onderdrukken. HOERRRR!! Hoor je dan godverdomme niet dat ik doodga hier.
Ik: [heel kalm] Ik kan niet lopen mevrouw. Kunt u geen dokter langssturen?
Zij: Kun je dan wel de deur openmaken?
Ik: Dat moet wel lukken.
Zo gezegd, zo gedaan. Ondertussen was het kwart voor 2 en Robbert strompelde ons luxueze appartement binnen. Ogen op half 7, kroeglucht om hem heen, staat hij in mijn deuropening. ‘Dude. Gaat het wel een beetje? Je ziet er niet goed uit.’ Ik vertel hem dat de dokter zo komt en hij kijkt ineens heel bezorgd. Met dubbele tongval verlangt hij van me dat ik niet ‘fucking on him moet die-en’. Dat was ik niet van plan.
De dokter arriveert redelijk snel. Tevens stelt hij redelijk snel de diagnose vast dat ik waarschijnlijk een blinde darm ontsteking heb en dus naar het ziekenhuis moet. De ambulance wordt gebeld. Robbert instrueer ik ondertussen om mijn ouders te bellen en wat broodnodig spul in te pakken voor een overnighter in het ziekenhuis. Daar kom ik nog op terug.
De rit was pijnlijk. Elke bocht, elke bobbel, elke trambaan was als een mes dat zich dieper in mijn buikwand kliefde. Toen ik de eerste hulp van het OLVG binnen werd gereden, kreeg ik weer hetzelfde misselijkmakende gevoel van de dag ervoor en had ik even het idee dat ik buiten westen zou geraken. Dat gebeurde niet.
Tot zover Deel 1 van Het Grote Infectie Epos.
